UB4M home

Constructie Persoonlijke Acculturatie Scan (PAS)

rainbow_klein.bmp 

Inleiding

Er zijn in Nederland meer dan een miljoen mensen in de leeftijd van 18 t/m 64 jaar, die een uitkering ontvangen. In veel gevallen gaat het om een tijdelijke situatie, maar anderen zijn al jarenlang werkloos. Het beleid op het terrein van werk en inkomen is erop gericht om uitkering overbodig te maken door (hernieuwde) deelname aan het arbeidsproces. Voor het beleid van overheid en semi-overheden is het dan ook van belang om te weten waardoor het sommige nieuwe werklozen niet lukt om weer snel een baan te vinden en waardoor terugkeer op de arbeidsmarkt zo moeilijk is voor oude werklozen. Op basis daarvan kan onderzocht worden welke middelen en instrumenten in welke gevallen nodig zijn om de kansen op deelname aan de arbeidsmarkt te verhogen.

In onderzoek naar arbeidsparticipatie en reïntegratie wordt de aandacht veelal gericht op de zogenaamde ‘harde’ factoren, zoals geslacht, leeftijd, etniciteit, opleiding, en werkloosheidsduur. Deze factoren blijken niet alleen samen te hangen met deelname aan de arbeidsmarkt. Uit de recente Beleidsdoorlichting van reïntegratie door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW, 2007) blijkt dat deze factoren ook samenhangen met de effectiviteit van reïntegratietrajecten. Ouderen, laagopgeleiden, vrouwen, niet-westerse allochtonen en langdurig werklozen blijken baat te hebben bij reïntegratietrajecten. Bij anderen is dat niet of nauwelijks het geval, hun (hogere) kans op werk blijkt niet groter te worden door deelname aan reïntegratietrajecten.

Effecten van z.g. ‘zachte’ factoren op reïntegratie zijn recentelijk gepubliceerd in de literatuurstudie die door SEOR (Gelderblom en De Koning, 2007) in het kader van genoemde beleidsdoorlichting werd uitgevoerd. In deze studie werden de zes typen ‘zachte’ factoren onderzocht: (1) (fysieke en psychische) gezondheid, (2) motivatie, (3) psychologisch kapitaal (met name persoonlijkheid), (4) sociaal kapitaal (met name sociaal netwerk), (5) cultureel kapitaal (toegespitst op verschillen in effect van ‘zachte’ factoren als sociale druk en werkattitude bij allochtonen in vergelijking met autochtonen) en (6) gezin. Er werd een sterke consensus gevonden voor de invloed van (fysieke en psychische) gezondheid op reïntegratiekansen. Ook de factor gezin had een duidelijke invloed: alleenstaande ouders bleken een lagere baankans te hebben, evenals ouders van een gezin met twee inkomens. Motivatie en psychologisch kapitaal bleken wel samen te hangen met zoekgedrag, maar nauwelijks met baankans.

De invloed van sociaal kapitaal op de effecten van reïntegratie bleek moeilijk te bepalen. Een van de problemen daarbij was dat de invloed van het sociaal netwerk erg afhangt van de kenmerken van dat netwerk. Indien bijvoorbeeld veel mensen in het netwerk werkloos zijn, dan is een sterk sociaal netwerk eerder een negatieve dan een positieve factor. Omdat de invloed van de directe sociale omgeving bij allochtonen groter is, mag worden verwacht dat bij hen de sociale druk een groter positief effect heeft op reïntegratiekansen. Dit bleek te kloppen voor zoekgedrag, het is nog niet onderzocht voor baankans. Daarnaast bleek dat bij autochtonen de houding ten opzichte van werk en bij allochtonen het zelfvertrouwen invloed heeft op het zoekgedrag. Andere verschillen tussen autochtonen en allochtonen zijn niet bekend.

In de literatuurstudie werd cultureel kapitaal niet als een zelfstandig fenomeen (vergelijkbaar met psychologisch of sociaal kapitaal) bestudeerd, maar als verzamelnaam voor verschillende effecten van ‘zachte’ factoren bij autochtonen en allochtonen. Wel merkten de auteurs op dat je overdracht van normen en waarden als investeringen in cultureel kapitaal zou kunnen aanmerken en dat verschillen in normen en waarden een belangrijke negatieve factor kunnen zijn voor reïntegratiekansen.

Doorgaand op deze redenering zou je, binnen het kader van reïntegratie, de afstand tussen de eigen, oorspronkelijke cultuur en de dominante cultuur als negatief cultureel kapitaal kunnen aanmerken. Dat zou echter een te simpele voorstelling van zaken zijn. Mensen hebben het vermogen om zich elementen uit verschillen culturen eigen te maken en zich (tot op zekere hoogte) aan te passen. Uit persoonlijkheidsonderzoek is bijvoorbeeld bekend dat iemands gedrag vaak sterker afhangt van de sociale situatie dan van de persoonlijkheid. Je zou dat een soort ‘respect’ voor de sociale situatie kunnen noemen. Iets soortgelijks geldt voor verschillende culturen (als meer algemene vorm van sociale situaties).

We kunnen er van uitgaan dat iedereen tot op zekere hoogte in staat is om niet slechts deel te nemen aan de eigen cultuur, maar ook aan andere culturen. In een multiculturele samenleving als de onze, is het verwerven van enig begrip van en respect voor andere culturen op te vatten als investering in (multi-)cultureel kapitaal. Het realiseren van dergelijke investeringen is vooral (maar niet uitsluitend) belangrijk voor mensen wier eigen (oorspronkelijke) cultuur een andere is dan de dominante (Nederlandse) cultuur.

Het verwerven van enig begrip en respect voor de dominante cultuur wordt gewoonlijk aangeduid met de term acculturatie. Het niveau van acculturatie is een zelfstandig fenomeen, dat onder meer van invloed is op reïntegratie, en is dan ook te beschouwen als een zeer bruikbare invulling van het begrip cultureel kapitaal. Een bijkomende overweging is dat het niveau van acculturatie de plaats van de ‘harde’ factor etniciteit in kan nemen binnen het geheel van de reïntegratie. Etniciteit is immers een onduidelijk en vooroordelen in de hand werkende term. Acculturatie is daarentegen een overwegend helder en functioneel begrip. (Opgemerkt kan worden dat de dominante cultuur zich voortdurend veranderd, waardoor acculturatie ook voor autochtonen van belang is. Maar  belangrijke aspecten van de cultuur, met name taal en economie, zijn redelijk constant, waardoor de urgentie van acculturatie voor autochtonen veelal geringer wordt geacht).

Persoonlijke Acculturatie Scan

De door UB4M ontwikkelde Persoonlijke Acculturatie Scan (PAS) is gericht op het niveau van acculturatie. De PAS is bedoeld als aanvulling op het, eveneens door UB4M ontwikkelde, Persoonlijk Reïntegratie Profiel (PRP, zie bijlage). De PRP meet de overige in de SEOR studie genoemde typen ‘zachte’ factoren: fysieke en psychische gezondheid, motivatie, psychologisch kapitaal, sociaal kapitaal en gezin. Het psychologisch kapitaal is echter beperkt tot extraversie, hetgeen, gezien de zwakke verbanden van andere aspecten van de persoonlijkheid op de reïntegratiekans, als toereikend kan worden aangemerkt. In eerder onderzoek (Goedhart, 2007), waarbij deze vragenlijst werd afgenomen bij 130 kandidaten voor een reïntegratie traject voor langdurig werklozen, bleek dat het PRP een goede voorspellende waarde heeft voor zowel deelname aan het traject als voor het verkrijgen van een baan.

In dit rapport worden achtergronden en psychometrische kenmerken van de PAS gepresenteerd en worden bovendien de ervaringen bij afname van het PRP en de resultaten daarvan bij een groep allochtonen besproken.

De betekenis van acculturatie en de samenstelling van de PAS

Met acculturatie wordt gedoeld op de veranderingen die voortkomen uit langdurige en directe contacten tussen mensen die in verschillende culturen zijn opgegroeid. Er kunnen meerdere stadia worden onderscheiden die achtereenvolgens worden doorlopen in het acculturatie proces (zie bijvoorbeeld Flannery, Reise, & Yu, 2001). Het eerste stadium heeft betrekking op het zich eigen maken van de taal, het volgende door de ontwikkeling van sociale contacten met mensen uit de dominante cultuur,  de derde door deelname aan het economisch verkeer en de vierde op de psychologische acculturatie. Psychologische acculturatie heeft betrekking op de veranderingen in individuele gedragen, in normen en waarden en op het vlak van de persoonlijke identiteit. De PAS heeft betrekking op deze vier aspecten van acculturatie.

De eerste drie stadia van acculturatie worden wel aangeduid met sociaal-economische acculturatie. Om het niveau van dat aspect van acculturatie in kaart te kunnen brengen zijn vragen over de kennis en frequentie van het gebruik van de Nederlandse taal en daarbij aansluitende vaardigheden zoals het kunnen schrijven van (sollicitatie-) brieven opgenomen. Naast vragen over de frequentie en kwaliteit van contacten met andere Nederlanders, worden in de PAS ook vragen over ervaren discriminatie (direct en indirect) gesteld.

Omdat de deelname aan het economisch verkeer in de doelgroep niet of nauwelijks aan de orde is, hebben de vragen over dit aspect betrekking op de aanwezigheid van mogelijke belemmeringen om deel te nemen aan het economisch verkeer.

Er is een grote verscheidenheid aan instrumenten om psychologische acculturatie te meten. In een recente literatuurstudie vond Matsudaira (2006) liefst 51 verschillende schalen. De oudere acculturatie schalen waren uitsluitend gericht op het meten van de verworven voorkeur voor elementen uit de dominante cultuur boven elementen uit de eigen, oorspronkelijke cultuur. Later werd duidelijk dat veranderingen in de richting van de nieuwe cultuur niet samen hoeven gaan met het opgeven van de oude cultuur. Mensen kunnen hun oude cultuur trouw blijven, ook als ze zich aanpassen aan de nieuwe, dominante, cultuur.

De meest recente meetinstrumenten bevatten dan ook afzonderlijke schalen voor de oorspronkelijke (eigen) cultuur respectievelijk de nieuwe (dominante) cultuur. Een goede, moderne acculturatieschaal is de Vancouver Index of Acculturation (VIA; Ryder,  Alden, &  Paulhus, 2000).  De voordelen van deze schaal zijn de eenvoud van de vragen, het algemene karakter (niet slechts bedoeld voor mensen uit een oorspronkelijke cultuur) en de inzichtelijke verbanden die werden gevonden met psychosociaal functioneren. De vragen van de VAI hebben betrekking op de verschillende aspecten van iemands culturele oriëntatie, zoals normen en waarden, vriendschappen en persoonlijke relaties, en voorkeuren voor kunst en ontspanning.  Bij alle aspecten wordt de betrokkenheid bij de oorspronkelijke en de nieuwe cultuur op identieke manier gevraagd, bijvoorbeeld ‘Ik neem deel aan tradities die horen bij de Nederlandse cultuur’ en ‘Ik neem deel aan tradities die horen bij mijn eigen, oorspronkelijke cultuur’.  De ontwikkelde concept versie van de PAS bestond uit de 20 vragen van de VAI en 30 vragen over het niveau van sociaal-economische acculturatie.

Doelstellingen en opzet van het onderzoek

De conceptversie PAS werd beproefd in een onderzoek, waarin ook het PRP werd afgenomen, bij werkzoekende allochtonen. In samenwerking met de gemeenten Amersfoort, Culemborg en Nijverdal werden 36 werkzoekende allochtonen die een uitkering ontvingen, bereid gevonden om aan het onderzoek mee te doen. Bij de samenstelling van de groepen werd gestreefd naar pluriformiteit ten aanzien van opleiding, leeftijd, immigranten behorend tot de eerste of tweede generatie en vluchtelingen.

Aan de beheersing van de Nederlandse taal werd een minimale grens gesteld. De afname van de PAS en het PRP vond plaats in groepen van 12 deelnemers. Bij de afname waren minimaal 2 begeleiders aanwezig. De vragen werden individueel op een computer beantwoord.

Na enkele dagen kwamen de deelnemers terug voor een individueel gesprek waarin zij het resultaat van de test hoorden, waarbij aan hen werd gevraagd of de testuitslagen naar hun idee overeenkomen met wat zij hebben ingevuld en hebben aangegeven op de test. Door middel van diepte interviews werd tevens naar de huidige toestand waarin zij zich bevinden gevraagd en vergeleken met de scores op de testen. Eventuele discrepanties met de eigen belevingen en aangegeven antwoorden werden genoteerd en meegenomen bij de validatie. Ook werden tijdens het maken van de scanvragen, woorden en termen die niet of minder begrijpelijk waren voor de deelnemers, genoteerd en meegenomen bij het normeringproces.

Doelstellingen van het onderzoek waren:

-  Verfijning van de concept versie van de PAS, door weglating van items waarover meerdere respondenten verduidelijking vroegen of waarbij meer dan 70% van de respondenten hetzelfde antwoord koos, en vervolgens door toepassing van schaal- en clusteranalyse.

- Toetsen van de begrijpelijkheid en inzichtelijkheid van het PRP voor allochtonen door na te gaan over welke items vragen werden gesteld omdat ze niet goed begrepen weren en door in schaalanalyses na te gaan of aan de vragen dezelfde betekenis mag worden toegekend als bij autochtonen.

·    - Inventarisatie van verbanden tussen de verkregen subschalen van de PAS en de schalen van het PRP.

Bekend is dat migratie vaak gepaard gaat met sociale isolatie, vooroordelen, werkloosheid en een minderheidsstatus. Deze factoren kunnen mede leiden tot een vermindering van fysieke en psychische gezondheid. In het oorspronkelijk onderzoek van de Vancouver Acculturation Index (VAI) werd gevonden dat niet zozeer migratie op zich, maar vooral de aanpassing aan de dominante cultuur samenhangt met een psychische gezondheid. Allochtonen die zich afzijdig hielden van de dominante cultuur bleken een slechtere psychische gezondheid te hebben dan degenen die zich er beter in thuis voelden. De mate waarin men trouw bleef aan de eigen cultuur bleek geen verband te houden met psychische gezondheid.  In onderzoeken in andere groepen en met andere instrumenten, zoals Flannery, Reise,  &  Yu (2001), werden slechts zwakke verbanden gevonden.  

Resultaten van het onderzoek

Begrijpelijkheid en inzichtelijkheid van PAS en PRP. De vragen uit de (concept) PAS bleken geen problemen op te leveren, uit het PRP bleken 12 vragen bij sommigen problemen op te leveren. Het grootste probleem was evenwel de lengte van het PRP. Besloten werd daarom om, op basis van zowel de verkregen PRP’s als de PRP’s uit de oorspronkelijke normgroep, een verkorte versie op te stellen waarin ook de 12 vragen die problemen gaven waren weggelaten.  Op deze manier werd een gebruikersvriendelijke PRPA (Persoonlijk re-integratie Profiel Allochtonen) verkregen. De correlaties tussen de oorspronkelijke en verkorte schalen waren steeds groter dan 0.85, de betrouwbaarheid van de verkorte schalen bleef steeds boven 0.75. Bovendien werden vertalingen in het Turks, Marokkaans en Arabisch van de vragen van zowel de PAS als het PRP opgesteld om het afnemen ervan voor een bredere groep mogelijk te maken.

Verfijning van de PAS. Nadat 3 vragen met betrekking tot sociaal-economische acculturatie en 5 vragen uit de vertaalde VAI waren verwijderd omdat 70% van de respondenten eenzelfde antwoord gaf, werd afzonderlijke clusteranalyses uitgevoerd op de vragen over sociaal-economische respectievelijk psychologische acculturatie. We vonden 2 duidelijke clusters van sociaal-economische vragen: een cluster voor vragen over de kennis en gebruiksfrequentie van het Nederlands, een cluster voor vragen over ervaren discriminatie en belemmeringen om deel te nemen aan het economisch verkeer.  Vervolgens werd schaalanalyse toegepast voor reductie van het aantal vragen. Zo werden twee schalen met 5 vragen verkregen, de betrouwbaarheid van beide schalen was groter dan 0.70.  Omdat gebruik van de taal en omgang met Nederlanders gewoonlijk met de term ‘integratie’ wordt aangeduid, is de naam van de eerste schaal ‘integratie’. Bij de tweede schaal bleek ‘ervaren discriminatie’ de inhoud van de vragen goed weer te geven.

Clusteranalyse van de resterende 15 vragen van de vertaalde VAI leverde drie duidelijke clusters op, een ervan bestond slechts uit twee vragen. Uit de resterende 13 vragen konden 5 koppels van vragen over hetzelfde onderwerp worden geselecteerd die bij schaalanalyse voldoende interne samenhang bleken te hebben. De schalen ‘Oriëntatie op de Nederlandse cultuur’ en ‘Oriëntatie op de oorspronkelijke cultuur’ bestaan dus uit 5 vragen. Het onderzoek leidde aldus tot de volgende samenstelling van de PAS:

Integratie (o.a. gebruik Nederlands en sociale contacten met Nederlanders)

·   Ervaren discriminatie (direct en indirect; o.a. bij sollicitaties)

·   Oriëntatie op oorspronkelijke cultuur (o.a. gebruiken, entertainment, vrienden)

·   Oriëntatie op Nederlandse cultuur (dezelfde onderwerpen als bij oorspronkelijke cultuur)

Samenhang van PAS en PRP.  De schaal integratie van de PAS bleek sterk positief samen te hangen met de schalen van het PRP die betrekking hebben op fysieke en psychische gezondheid, op het sociaal kapitaal en op werkbereidheid: een betere score op integratie bleek samen te hangen met betere scores op al deze gebieden. Hoewel de correlaties geen conclusies toelaten over de oorzakelijke verbanden, kan op grond van inhoudelijk overwegingen worden vermoed dat een betere gezondheid (in de ruime zin van het woord) een betere integratie mogelijk maakt. De schaal ‘ervaren discriminatie’ bleek met geen enkele PRP-schaal samen te hangen, hetzelfde geldt voor de schaal ‘oriëntatie op de oorspronkelijke cultuur’. Tenslotte bleek de schaal ‘oriëntatie op de Nederlandse cultuur’ uitsluitend samen te hangen met extraversie, hetgeen in de lijn der verwachtingen ligt.

Toepassingen van PAS en PRP bij reïntegratie

De overweging die ten grondslag ligt aan de ontwikkeling van PAS en PRP is, dat het voor zowel coach als betrokkenen erg belastend is om, in een persoonlijk gesprek, vragen over zachte factoren die van invloed zijn op de inhoud van de reïntegratie te stellen respectievelijk te beantwoorden. Bovendien is de manier van vragen niet standaard en zullen de antwoorden mede beïnvloed worden door factoren als sociale wenselijkheid. Het gevolg daarvan is dat het moeilijk is om een min of meer objectieve inschatting te maken. Door deze persoonlijke vragen via de computer af te nemen (een neutrale en gestandaardiseerde testomgeving) worden betrouwbare resultaten verkregen die vergelijkbaar zijn met de resultaten van anderen. De coach krijgt een overzichtelijk verslag waaruit duidelijk wordt hoe het profiel van ‘zachte’ factoren er uit ziet, en kan over dat globale beeld rustiger en gerichter praten met de cliënt.

In veel gemeenten worden speciaal aandacht besteed aan de groep werkzoekende allochtonen. Uit ervaring blijkt dat deze groep werkzoekende andere eisen stellen, wat betreft het succesvol kunnen begeleiden tot het vinden van een baan. Veelal beheerst deze groep de Nederlandse taal onvoldoende en zijn er eerst bijvoorbeeld extra taal lessen nodig om ze klaar te stormen voor de arbeidsmarkt. Van de consulent/coach wordt verwacht dat hij/zij een zekere interculturele competentie bezit om over deze zaken en over andere ‘zachte’ factoren te kunnen overleggen. In de rapportage ‘Van Ver Weg’ van de Dienst Sociale Zaken en Werk, gemeente Groningen,  wordt een overzicht van drie aspecten van deze competentie gegeven: Cultuurgevoeligheid (waarnemen, plaatsen en bespreekbaar maken van cultuurverschillen), Omgaan met maatschappelijke verschillen (discriminatie herkennen en bespreekbaar maken) en Interculturele communicatie (herkennen en bespreekbaar maken van interculturele verschillen in manier van communiceren). 

De PAS is bijzonder geschikt om deze competentie te ondersteunen omdat de consulent een goed overzicht krijgt van de oriëntatie op beide culturen, van ervaren discriminatie, het gebruik van het Nederlands en frequentie van contact met Nederlanders.

In verschillende gemeenten wordt het traject van reïntegratie voor allochtonen toegespitst op twee categorieën, namelijk migranten en zeer moeilijk plaatsbare personen, die bijvoorbeeld door langdurige werkloosheid, langdurige fysieke problemen of psychosociale problemen weinig kans maken voor een deelname aan de arbeidsmarkt. Hierbij kunnen werkzoekenden zelf een persoonlijke reïntegratieroute uitstippelen en vervolgens daarmee een passend reïntegratie bedrijf uitkiezen. De PRP biedt daartoe het nodige inzicht in fysieke en psychische belastbaarheid, en in sociale en psychologische belemmeringen om deel te nemen aan de arbeidsmarkt, alsmede aan de voorbereiding op de arbeidsmarkt door het volgen van extra taallessen en andere onderdelen van inburgeringprogramma’s. Uit de samenhang van de PAS-schaal integratie met psychische en sociale gezondheid blijkt dat soms ook expliciet aan gezondheidsaspecten aandacht moet worden gegeven.

Hoewel het nuttig kan zijn om ook speciale competenties en capaciteiten te testen, blijkt uit onderzoek dat deze testen vooral van belang zijn bij hogere functies. Belangrijk is het om een goed inzicht te krijgen in eerdere opleiding en ervaring, ook die welke verkregen zijn in het moederland, ook al is er geen officiële erkenning voor in Nederland (zie Klaver en Odé, 2003). Dat alles kan het best aan de orde komen in gesprekken, testen voegen daar weinig aan toe.

 

Literatuur

Flannery, W.P.,  Reise, S.P., &  Yu, J. (2001). An empirical comparison of acculturation models. Personality and Social Psychology Bulletin, Vol. 27(8), 1035-1045

Gelderblom, A., en De Koning, J. (2007) Effecten van “zachte” kenmerken op de reïntegratie van de WWB, WW en AO populatie: een literatuurstudie (Opdrachtgever Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid). SEOR, Rotterdam.

Goedhart, A.W. (2007). Voorspellende waarde van de PRP-scan bij arbeidsinschakeling volgens de Focus-methode. Interne publicatie UB4M, Soest.

Klaver, J. &  Odé, A. (2003). De arbeidsintegratie van vluchtelingen. Een verkenning van problemen en oplossingen. Raad voor Werk en Inkomen, Den Haag.

Matsudaira, T. (2006) Measures of Psychological Acculturation: A Review. Transcultural Psychiatry, Vol 43(3): 462–487. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2007). Beleidsdoorlichting Reïntegratie.

Ryder, A.G.,  Alden, L.E., &  Paulhus, D.L. (2000) Is acculturation unidimensional or bidimensional? A head-to-head comparison in the prediction of personality, self-identity, and adjustment. Journal of Personality and Social Psychology, 2000, VoL 79 (1), 49-65.